Kersmis vieren: ja of nee?

OK, voor de duidelijkheid:

- Jezus is niet geboren op 25 december. Waarschijnlijk in maart of april.

- Het kerstfeest, of het vieren van de geboortedag van Jezus, komt niet voor in de Bijbel.

- Kerstfeest wordt aan alle kanten commercieel uitgebuit.

- Veel gebruiken -de kerstboom, kerstverlichting, deur-aan-deur liederen zingen, kadootjes geven- hebben er de schijn van dat ze geworteld zijn in Europese vóór-christelijke culturele & religieuze gebruiken.

Veel mensen hebben geen weet van bovenstaande feiten en denken dat het om een oerchristelijk feest gaat. Sommige christenen, met name in Amerika, vechten voor het houden van ‘Christ’ in ‘Christmas’, omdat veel bedrijven en overheden kerst tot een puur seculier ‘neutraal’ feest willen maken. Maar andere christenen willen om de hierboven genoemde punten geen kerstfeest meer vieren. Onbijbels of heidens wordt het genoemd. Elke kerstachtige uiting wordt begeleid door opmerkingen als ‘wat een commercieel gedoe’. En dan zijn er zelfs christenen die geloofsgenoten veroordelen die wél meegaan met de kerstvieringen, boze brieven schrijven aan kerstvierende kerken, of deze kerken zelfs verlaten wanneer er een kerstboom geplaatst wordt.

Paulus heeft veel relevants hierover te zeggen. Eerst zegt hij in Kolossenzen 2:16-17:

Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwemaan en sabbat. Dit alles is slechts een schaduw van wat komt – de werkelijkheid is Christus.

Het vieren van bepaalde religieuze feestdagen -zelfs de Bijbelse Joodse feesten, met name Pasen, Pinksteren en Loofhuttenfeest- is niet meer van belang. Deze waren bedoeld als schaduwbeelden van wat komen zou en nu gekomen is: Jezus Christus als vervulling van alles wat in de Wet en Profeten geschreven staat. Het is dus niet van levensgroot belang een feest te vieren. God wordt niet boos als we geen Kerst vieren. En als we dat nalaten, is het verkeerd als anderen ons veroordelen hierom. Het is niet meer van belang. Veel belangrijker is onze hartsgesteldheid, en of we de Jezus die we zo willen eren en gedenken met de feesten, wel gehoorzamen als Hij het heeft over radicale vergeving, het liefhebben van onze vijanden, het ons onthouden van oordeel, heilig leven zelfs in onze diepst verborgen momenten, gemeentetucht, ons hele leven inzetten voor het evangelie, om maar wat te noemen. We houden onszelf voor de gek als we midden in een sfeervolle Kerstnachtdienst het Kerstkindje meewarig toezingen, maar vervolgens al kwaadsprekend en flirtend die dienst uitwandelen.

Maar ook Romeinen 14 is van belang (vers 1-6 hieronder weergegeven):

Aanvaard mensen met een zwak geloof zonder hun overtuiging te bestrijden. De een gelooft dat hij alles mag eten, maar iemand die een zwak geloof heeft eet alleen groenten. Wie alles eet mag niet neerzien op iemand die dat niet doet, en wie niet alles eet mag geen oordeel vellen over iemand die dat wel doet, want God heeft hem aanvaard.

Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander?

De een beschouwt bepaalde dagen als een feestdag, voor de ander zijn alle dagen gelijk. Laat iedereen zijn eigen overtuiging volgen. Wie een feestdag viert, doet dat om de Heer te eren; wie alles eet, doet dat om de Heer te eren, en hij dankt God voor zijn voedsel. Wie iets niet wil eten, laat het staan om de Heer te eren, en ook hij dankt God. 

De ‘volwassene’ in het geloof ziet terecht in dat Kerst geen halszaak is voor onze relatie met God. Maar wanneer deze gelovige zijn ‘verlichting’ op dit vlak laat doorslaan in veroordelen van anderen die dit nog niet snappen, is hij verkeerd bezig. Daarom is het verkeerd om het Kerstfeest te verbieden, wanneer anderen dit doen met een oprechte liefde voor God.

De ‘volwassene’ weet dat een Kerstboom misschien wel (het is niet zeker) een oud Germaans vruchtbaarheidssymbool is (piek en ballen…!). Maar hij dient ook te onderscheiden dat dat vandaag de dag voor niemand meer die functie heeft. En ook weet ie als het goed is dat boze geesten pas de macht krijgen met die bomen mee ons huis binnen te komen, als we zelf dat geloof er aan gaan hechten!

Het is heel vervelend als christenen bekend staan als mensen die moeilijk doen om zulke onbelangrijke zaken. Laten we ons druk maken om onrecht, armoede, mensen die verloren gaan – en niet om zulke uiterlijke wissewasjes.

Daarnaast zouden we als kerk wel dwaas zijn als we het feest wat op dit moment voor de wereld als toch nog het meest christelijke feest van het jaar wordt beschouwd, zouden afzwakken door het zelf niet meer te vieren. Laten we -zelfs als we denken dat het door en door heidens is- net als Paulus in Athene de ‘afgodsbeelden’ gebruiken om het Evangelie te vertellen.

En dit is waarom ik van harte meega in de kerstgezelligheid, ook al weet ik dat het voor God niet zoveel uitmaakt – zolang mijn hart maar gericht blijft op Hem liefhebben en gehoorzamen. En waarom ik ook geloof dat we niet moeilijk moeten gaan doen over onbelangrijke zaken zoals feestdagen en uiterlijke symbolen, maar blij moeten zijn met een geweldige gelegenheid om Jezus te brengen in een donkere wereld!

Gezegend kerstfeest allemaal!

Hoe ga ik om met domme leiders? (inclusief mezelf) Deel 3: Joab en David)

Domme leiders met blinde vlekken. Je zal ze maar hebben. Een baas, voorganger, ouder, teamleider, leerkracht of iemand anders die gezag over je heeft, maar fouten maakt, de dingen allemaal niet zo scherp (meer) ziet.

Een serietje aan Bijbelse voorbeelden hoe met ze om te gaan. En… wat te doen wanneer (niet ‘als’ :-) je ontdekt dat je er zelf ook één bent af en toe. Vooral bedoeld om te worden toegepast in kerkelijke setting, maar waarschijnlijk heb je hier buiten er ook wat aan. Deel 3: Joab en David.

Zoals in deel 1 en 2 beschreven: David ging goed om met zijn toenmalige foutenmakende leider Saul, en ontving zelf ook de zegen van onderdanen die datzelfde bij hem deden toen hij eenmaal koning was. Naast Abigaïl (deel 2) is Joab een goed voorbeeld hiervan. Tenminste in het begin.

De inname van Rabba 

David was thuisgebleven van de oorlog tegen de Ammonieten. Er staat bij dat het de tijd was dat de koningen normaal gesproken het strijdveld opgingen, maar dat David thuisbleef en Joab (zijn generaal) het werk liet doen (2 Samuel 11:1). In die tijd (“ledigheid is des duivels oorkussen”) pleegde hij overspel met Bathseba en liet hij haar man vermoorden. Na zijn bestraffing en bekering komt Joab met het volgende bericht:

“Ik heb gestreden tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen. Verzamel dan nu de rest van het volk, beleger de stad en neem haar in. Anders neem ík de stad in en wordt míjn naam over haar uitgeroepen.” (2 Samuel 12:27-28).

Joab had hier de kans naam te maken voor zichzelf. Maar hij wist dat dit slecht zou zijn voor David, en daarmee voor de eenheid van het land. Hij koos niet voor eigen eer maar voor het belang van zijn leider en daarmee van het geheel. Hij voorzag het gevaar, ook voor de reputatie van David, en cijferde zichzelf weg ten gunste van zijn leider – die het niet verdiend had.

Een uitmuntend voorbeeld van hoe we om kunnen gaan met leiders die het hebben laten afweten. Wanneer het belang van het geheel gediend wordt, is het goed onze eigen eerzucht los te laten en de baas met de eer te laten opstrijken. Het gaat immers niet om ons, maar om de eer van God! En ook in bedrijven: we dienen uiteindelijk de visie van een oprichter of het belang van een onderneming of samenleving als geheel.

Na het verslaan van Absalom

Joab herhaalt dit beschermen van zijn leider omwille van zijn reputatie en de eenheid van het volk een tijd later. Davids mannen verslaan Absalom (Davids zoon die een staatsgreep tegen hem pleegde). Maar in plaats van blijdschap te tonen over de overwinning, treurt David openlijk over het verlies van zijn zoon. Joab voorziet wanneer Davids mannen, na hun leven te hebben ingezet, beschaamd de stad binnensluipen, het gevaar van onvrede en een nieuwe opstand onder deze mannen, en beschermt David door hem te bestraffen:

“U hebt vandaag de gezichten van al uw manschappen beschaamd doen staan, die vandaag uw leven hebben gered (…) door lief te hebben wie u haten, en door te haten wie u liefhebben. U hebt vandaag immers laten blijken dat bevelhebbers en manschappen voor u niets betekenen. Want ik heb vandaag gemerkt dat als Absalom leefde en wij allen vandaag dood waren, dat het dan juist zou zijn in uw ogen. Sta dan nu op, ga naar buiten en spreek naar het hart van uw manschappen. Want ik zweer bij de HEER: als u niet naar buiten gaat, zal er deze nacht geen man bij u overnachten! En dit zal erger voor u zijn dan al het kwaad dat u van uw jeugd aan tot nu toe overkomen is.” (2 Samuel 19:5-7)

Wijsheid voor volgelingen/ondergeschikten is: je leider – en het/de hele volk/bedrijf/kerk/organisatie – soms beschermen door ze te wijzen op de gevaren van verkeerde keuzes die ze maken.

Wijsheid voor leiders is: goed luisteren naar je tweede man of kaderlid die je komt wijzen op deze gevaren. David luistert en wint opnieuw het hart van zijn mannen terug.

Waarschuwing: het liep fout af

Ergens in Joabs hart moet er toch een sluimerende minachting voor zijn koning geweest zijn. Joab doodde een tegenstander van David die vrede met hem had gesloten, uit wraak voor het doden van zijn (Joabs) broer. David keurt dit sterk af, maar zegt:

Ik ben heden zwak, hoewel gezalfd als koning. Deze mannen, de zonen van Zeruja (Joab & broers) zijn echter harder dan ik. Moge de HEER de kwaaddoener vergelden naar zijn kwaad! (2 Samuel 3:39)

David was dus koning, maar zag in dat Joab in feite sterker dan hem was, en hij niet tegen hem in kon gaan. Ken je dat, dat iemand de titel van leidinggevende heeft, maar dat er iemand die eigenlijk ‘onder’ hem/haar staat, de feitelijke macht in handen heeft? David baalde hier van.

Misschien was Joabs hart nog verder afgeweken van zuivere trouw en dienstbaarheid door David steeds, van dichtbij, meer fouten te zien maken. Joab moest Uria (Bathseba’s man) doden. Joab moest dus David beschermen zoals boven beschreven bij Rabba en na Absalom. Joab kreeg uiteindelijk gelijk toen hij David een volkstelling afraadde, die toch werd doorgezet.

Door het zien van deze fouten erkende Joab David niet langer als degene die door God geïnspireerde, juiste beslissingen maakte. Toen David Salomo aanwees als opvolger, koos Joab partij voor een andere zoon, Adonia (1 Koningen 1). David had immers al zoveel foute inschattingen gemaakt!

Hierdoor liep het uiteindelijk fout af. Joab werd terechtgesteld (1 Koningen 2). Voor wie God liefheeft: ook al zie je leiders, die door God aangesteld zijn, fouten maken, en moet je ze (soms meerdere malen) waarschuwen of terechtwijzen – weerhoud je hart ervan ze te gaan minachten. Doe zoals David zelfs is blijven doen bij Saul (deel 1 van dit onderwerp): als Gods maat echt vol is en de tijd is voor wisseling van de wacht, laat dit dan niet door je eigen opstand gebeuren, maar op een manier die God voor je regelt. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen. Houd respect voor Gods gezagslijnen, doe jouw deel door te waarschuwen, maar onthoud dat God uiteindelijk hén -voor dit moment althans- heeft uitgekozen voor die positie en niet jou!

Dus concreet

Geef rugdekking aan je leidinggevende. Waar hij/zij blinde vlekken heeft die wel op jouw radar voorkomen, help ze. Als ze goed zijn in grote lijnen maar details vergeten, denk met ze mee, los dingen op, help ze herinneren. Als ze goed zijn in projecten maar niet in relaties met hun mensen: meld ze de onvrede of de gevaren die je voorziet in de eenheid van het team, herinner ze aan verjaardagen, zieke oma’s en jubilea van hun mensen. Zet je leven in als Joab, doe alles wat je doet als voor God Zelf en niet voor mensen (Kolossenzen 3:23), laat desnoods iemand anders met de eer opstrijken voor jouw inspanning – God weet hoe de vork écht in de steel zit en weet naar welk adres de beloning heen moet. En als je dit alles doet zonder je door God ingestelde leider te minachten of te gaan rebelleren, zal je gezegend zijn. Wie trouw is in de roeping/visie/bediening van een ander, is klaar om die/dat van hem/haarzelf toevertrouwd te krijgen (Lucas 16:12).

Ble$$ingzzz

Hoe ga ik om met domme leiders? (inclusief mezelf) Deel 2: Abigaïl en David

Domme leiders met blinde vlekken. Je zal ze maar hebben. Een baas, voorganger, ouder, teamleider, leerkracht of iemand anders die gezag over je heeft, maar fouten maakt, de dingen allemaal niet zo scherp (meer) ziet.

Een serietje aan Bijbelse voorbeelden hoe met ze om te gaan! En… wat te doen wanneer (niet ‘als’ :-) je ontdekt dat je er zelf ook één bent af en toe. Vooral bedoeld om te worden toegepast in kerkelijke setting, maar waarschijnlijk heb je hier buiten er ook wat aan. Deel 2: Abigaïl en David.

Wat je geeft is wat je krijgt

Eén van de basiswetten in Gods wereld is “Wat je zaait, zal je oogsten”. De Aziaten hadden dit ook door en noemden dit karma (nu werkt het bij boeddhisten en hindoes wel een beetje anders, maar goed). Jezus zegt: “Hoe je anderen oordeelt – hard of juist genadig- bepaalt hoe God jóu zal oordelen” (Matt. 7:1-2, Jak. 2:13, Luk. 19:22).

Omdat David zelf goed (= genadig / het oordeel aan God overlatend en niet in eigen hand/mond nemen) met leiders die fouten maken is omgegaan – zie deel 1-, ontvangt hij dezelfde bescherming als hij zelf op het punt staat een fout te maken.

Abigaïl

Tussen de 2 ‘gezagstesten’ van David tegenover Saul in 1 Samuel 24 (de poepgrot) en 26 (de slaapgrot), zit 1 Samuel 25. Hier staat David zelf op het punt een fout te begaan. Hij had het personeel en bezittingen van een man, Nabal, een tijdlang beschermd, maar toen David zelf Nabals hulp inriep werd dit geweigerd met een grove belediging toe. David werd furieus -waarschijnlijk ook makkelijker geprikkeld want hij was doodmoe door zijn voortdurende vluchten voor Saul-  en ging op weg die hele Nabal en z’n hele hebben en houwen af te slachten.

Dit zou een fout zijn waar David later, als hij koning zou worden, last van zou krijgen – de roddelpers zou in zijn verleden duiken en het zou een bom onder z’n koningschap kunnen worden. Je weet dat een tweet met “Zojuist een heel tentenkamp afgemaakt omdat ze me niet wilden helpen” een keer ontdekt gaat worden als ze je gaan Googelen!

Nabals vrouw, Abigaïl, komt David tegemoet: ze geeft hem kado’s om hem mild te stemmen, toont hem begrip voor zijn boosheid, complimenteert hem, maar waarschuwt hem ook respectvol dat hij op het punt staat z’n eigen glazen in te gooien, wanneer hij zijn wraakgevoelens niet weet te beheersen. Ook herinnert ze hem aan Gods beloftes voor zijn leven, en dat Hij het is die voor hem zal opkomen. Abigaïl is een PERFECT voorbeeld van hoe je foutenmakende gezagsdragers kan winnen en kan verhinderen schade aan te richten – door ze respectvol en wijs te benaderen.

David luistert, en als Nabal de dag daarna sterft (… oftewel… laat het oordeel los en aan God over… en het werkt meteen!), trouwt hij met de wijze Abigaïl.

Omdat David genade geeft aan domme leiders, krijgt hij genade (in de vorm van een respectvolle waarschuwing) als hij zelf dom bezig dreigt te zijn – in de vorm van iemand die hem komt waarschuwen! (Om van die genade gebruik te maken, moet hij wel open staan voor correctie, anders was het hele feest niet doorgegaan).

Dus, staat iemand die boven je staat op het punt iets verkeerd te doen (misschien ook wel uit boosheid, of vermoeidheid), doe dan als Abigaïl:

* stem ze mild (kado’s hoeft niet per sé, oprechte complimenten helpen al een stuk)

* toon begrip voor hun frustratie of boosheid, leef je in in hun situatie en laat merken dat je je kan voorstellen dat ze erover denken de -in jouw ogen foute- beslissing te maken.

* herinner ze aan Gods belofte over hun leven – mag best ook als ze niet geloven, maar je kan ze ook wijzen op het potentieel dat ze nog hebben – en laat zien dat het maken van deze beslissing een slechte impact zal hebben op ook hun eigen lange termijnbelang.

* en stimuleer ze te vertrouwen op God voor de goede afloop als ze de in jouw ogen juiste beslissing maken.

Natuurlijk komen wij niet voor in de Bijbel als goed voorbeeld, en kan het dus zijn dat ONZE inschatting verkeerd is. Sta daar ook voor open. Het beste is: EERST LUISTEREN voordat je met je beoordeeling en suggestie komt.

Wie antwoord geeft voordat hij geluisterd heeft, het is hem tot dwaasheid en schande (Spreuken 18:13)

Volgende deel: Joab en David

Hoe ga ik om met domme leiders? (inclusief mezelf) Deel 1: Saul en David

Domme leiders met blinde vlekken. Je zal ze maar hebben. Een baas, voorganger, ouder, teamleider, leerkracht of iemand anders die gezag over je heeft, maar fouten maakt, de dingen allemaal niet zo scherp (meer) ziet. Kan een grote ramp zijn en een aanslag op je relaxtheidbuffer, net opgebouwd tijdens je vakantie.

Een serietje aan Bijbelse voorbeelden hoe met zo om te gaan! En… wat te doen wanneer (niet ‘als’ :-) je ontdekt dat je er zelf ook één bent af en toe. Vooral bedoeld om te worden toegepast in kerkelijke setting, maar waarschijnlijk heb je hier buiten er ook wat aan. Deel 1:

DAVID

David had een vreselijke baas. Koning Saul was zijn leider en hij was stinkend jaloers op Davids militaire succes en populariteit. Saul gooide met enige regelmaat een speer naar de nietsvermoedende, op een harpje tokkelende David. Uiteindelijk moest David met zijn manschappen jarenlang vluchtend rondzwerven in grotten, vijandige gebieden en woestijnen.

David kreeg tot 2x toe de kans Saul af te maken. Saul koos eerst Davids grot uit om te poepen, daarna om te gaan slapen! (Laten we maar zeggen, David had een zalving die mensen zich op hun gemak liet voelen :-) . Zijn mannen zagen het als “Gods kans” om van zijn “slechte baas” af te komen. God had al gezegd door de profeet Samuel dat David na Saul de nieuwe koning zou worden. Maar David respecteerde God, die Saul ooit eens had aangesteld, en zei: Als God vindt dat Saul verkeerd bezig is, moet Hij hem zelf maar uit z’n ambt schoppen! (Te lezen in 1 Samuel 24 en 26).

Wat lijkt op een uitgelezen gelegenheid om een staatsgreep te plegen, kan wel eens Gods test voor je zijn. God testte David of hij respectvol omging met gezag, zelfs wanneer dat gezag helemaal verkeerd bezig was!

En David slaagde. Gevolg: hij was klaar om zelf koning te worden, en werd het korte tijd later toen Saul stierf in de strijd. God vertrouwt autoriteit alleen toe aan hen, die zelf hebben geleerd de autoriteit van anderen te respecteren en eren (2 Kor. 10:6, Luk. 16:12). En die test komt niet als de leider boven je goede keuzes maakt waar je het mee eens bent -want dan heeft niemand problemen met gezag-, maar juist als die leider het (…in jouw ogen…) mis heeft!

Dit betekent niet dat we alles maar moeten slikken en niks moeten zeggen bij de meeste brute vormen van machtsmisbruik en incompetentie. David zei het als volgt:

De HEER zal zich vanwege mij op u wreken, maar mijn hand zal niet tegen u zijn. De HEER zal Rechter zijn en oordelen tussen mij en u. Hij zal toezien en het voor mij opnemen, en mij recht doen… (1 Samuel 24:16).

Hoe ga je om met die blunderende leider boven je? Maak je ze af, wanneer de kans je op een presenteerblaadje wordt aangeboden of… respecteer je God en laat je het beoordelen wanneer dit ‘afmaken’ nodig is, aan Hem over? Het probleem is namelijk, dat ons geduld een stuk minder groot is dan die van God. Er komt een tijd dat Hij zal ingrijpen (ook leiders in de politiek en het bedrijfsleven!), maar de inschatting van wanneer de maat vol is kan beter van God komen dan van ons, zodat we niet zelf onrecht plegen in het bestrijden van door ons waargenomen onrecht.

Volgende deel: Abigaïl en David.


Mens- of taakgericht?

Je hoort wel eens sommigen spreken over mensen die meer mensgericht, en anderen die meer taakgericht of resultaatgericht zijn.

Als je moet kiezen tussen de 2 moet je altijd kiezen voor mensgericht zijn. Omdat God ons hierin het voorbeeld geeft.

Maar we hóeven niet te kiezen tussen deze twee. Het is in veel gevallen een vals dilemma.

Omdát mensen belangrijk zijn, moet je soms gericht zijn op bepaalde resultaten. Je bent in zo’n geval gericht op een resultaat waarmee veel mensen gezegend zullen worden. Dus je bent dan resultaatgericht bezig juist omdat je mensgericht bent. Je wil iets bereiken uit liefde voor mensen. Je bent taakgericht omdat het voleindigen van die taak een zegen zal zijn voor mensen.

Waar het dan om gaat is kiezen voor wélke mensen je op dat specifieke mensen je je aandacht moet richten. Om even een heel Hollands voorbeeld te gebruiken: als je met je vinger in de dijk staat het water tegen te houden, heb je geen tijd even weg te gaan om een babbeltje met je oma te maken die achter een paar geraniums alleen thuis zit. Je kiest dan voor je taak, je resultaat: je hele dorp (inclusief je oma) redden van watersnood. Niet elk telefoontje direct aannemen, omdat je bezig bent een groter doel te bereiken – wat uiteindelijk ook het probleem zal oplossen van diegene die op dat moment belt voor een dringende zaak.

En aan de andere kant, soms moet je je grote project, je belangrijke e-mail of je boek neerleggen om met je kinderen te gaan spelen, te luisteren naar die collega die z’n problemen op tafel wil leggen. Leg die taak neer en richt je op de persoon. In veel gevallen zal -op de lange termijn- het gericht zijn op mensen op de juiste tijd, je helpen het resultaat te bereiken wat je graag wilt zien. Een leider die voortdurend de zweep over z’n mensen laat gaan om een doel te bereiken, maar geen oprechte aandacht heeft voor die mensen zelf, behaalt uiteindelijk z’n resultaat ook niet – of slechts op korte termijn, om het daarna snel weer ineen te zien storten –  omdat de meeste mensen op lange termijn geen deel willen uitmaken van een team waar er geen persoonlijke verbondenheid is.

Het gaat dus niet per sé om een keuze tussen een taak/resultaat of een mens, maar eerder om het onderscheiden van wanneer welke mensen je aandacht nodig hebben, en welke keuze dat voor jou betekent in hoe je je tijd besteedt. Voor alles is een tijd, een tijd om je oma te bezoeken en een tijd om dat na te laten (Prediker 3).

God haast laten maken

Neig Uw oor tot mij, red mij met spoed (Psalm 31:3)

Kom mij spoedig te hulp! (Psalm 38:23)

Haast u, o God, om mij te redden – HEER, kom mij spoedig te hulp (Psalm 70:2)

Maar ik ben ellendig en arm; o God, kom spoedig tot mij. U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder. HEER, wacht niet langer! (Psalm 70:6)

De Psalmen zijn ‘goedgekeurde gebeden’. Als God niet achter de inhoud van dit gebed zou staan, had Hij niet toegestaan dat het in Zijn volmaakte Woord zou komen te staan. Dat betekent dus ook, dat Hij elk gebed wat hierin staat, uiteindelijk wil verhoren. Deze gedachte brengt me enorm veel geloof, want God verhoort ons, telkens als wij iets bidden naar Zijn wil (1 Johannes 5:14).

Dus geef ik mezelf de toestemming om te geloven dat God zijn soevereine beslissing om te handelen in ons leven, laat beïnvloeden door mijn roepen vanuit mijn door tijd gebonden leven. Weer een manier waarop onze Vader ons laat weten hoe belangrijk Hij ons vindt.

 

Vergeet je manieren

Alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen (Markus 11:24)

Ik las eens een boekje over gebed. Het was volgens mij een goed boek, maar het had een tijdje het tegenovergestelde effect van wat de schrijver ermee wilde bereiken. Er stonden verschillende vormen van gebed beschreven: God danken, je zorgen delen, God prijzen, dingen vragen voor jezelf, voorbede voor anderen en vooral: er werd een bepaalde volgorde voorgesteld. Waarschijnlijk alleen als suggestie bedoeld (ik heb het boek niet meer dus kan het niet meer nazoeken), maar ik dacht vanaf dat moment dat God me alleen zou horen, als ik geen van die verschillende soorten van gebed oversloeg, en dan ook nog eens in de juiste volgorde! Gevolg (voor een tijdje althans): als ik het eens anders deed, had ik geen geloof meer dat God me zou horen… en het lukte me bijna nooit het precies ‘volgens het boekje’ te doen! Er gebeurde ook niet veel op mijn gebed, niet omdat ik het foute maniertjes of volgordes in gebed had, maar omdat ik door zó te denken, geen geloof had.

(Soms heb je dat: goed onderwijs, dat door ons eigen kromme denken -en een handje geholpen door de duivel- verdraaid wordt tot iets wat ons juist verder van God afbrengt – zie 2 Petrus 3:15-16).

Pas toen ik weer doorkreeg dat de vorm veeeeeel minder belangrijk is dan onze hartsgesteldheid (wat b.v. wél belangrijk is, is dat we anderen vergeven als we bidden – Markus 11:25!), kon ik weer lekker vrijuit bidden en ook nog geloven dat God me zou horen.

Veel mensen zijn niet vrij, alleen door de gedachte dat ze niet vrij zijn. Ze hebben alle rechten om door God gehoord te worden – ze geloven in Jezus’ dood en opstanding, en hebben zich oprecht bekeerd van hun zonden – maar doordat ze niet geloven dat God ze hoort (door verkeerde ‘manieren’ zoals dit voorbeeld, of door schuldgevoel over iets wat ze al beleden hebben), ontvangen ze niet – niet door de dingen waarvan ze denken dat dát de obstakels zijn, maar door het ongeloof wat hierdoor het gevolg is.

Iemand vroeg me eens gebed omdat hij ‘niet vrij’ zou zijn. Toen ik vroeg hoe hij dat wist, zei hij dat iemand anders dat eens tegen hem gezegd had, zonder erbij te zeggen waarom. Ik vroeg hem of de Heilige Geest hem liet zien of hij nog een zonde uit de weg moest ruimen of recht moest zetten, en daar antwoordde hij een duidelijk ‘nee’ op. Ik nam toen de vrijmoedigheid om hem (volgens ons systeem van rechtsspraak!) ‘vrij te verklaren tot nader order’. Als er daadwerkelijk iets tussen God en ons instaat, spreekt Gods Geest diegene die willen horen daarop aan, zodat we het weer op kunnen ruimen. Als we op Hem gericht zijn en Hij zegt ons niets, mogen we er vanuit gaan dat het goed zit!

Als je bidt, vergeet dus of je het wel op het juiste maniertje doet. God kijkt naar je hart, of het eerlijk is, en of je Hem gelooft, dat Hij zal doen wat Hij zegt. 1 hand omhoog of 2, bidden in Statenvertaling of de Straatvertaling, staan of zitten, en … oh ja weer een nieuwe: “je moet niet meer vragen, alleen commanderen – spreken tegen je berg!”. Begrijp me niet verkeerd: deze vormen hebben hun tijd en plaats, en soms leidt de Heilige Geest in ons ons inderdaad naar een specifieke vorm. Ik geloof ook nog steeds in boeken en preken die ons helpen te bidden, volgens het patroon van het ‘Onze Vader’, of van de tabernakel van Mozes.

Maar als ik al die dingen even niet meer allemaal weet, wil ik mijn geloof niet meer laten roven door allerlei extra voorwaarden buiten Gods Woord om. Al bid ik krom, en vergeet ik de ’7 stappen tot effectief gebed’, God ziet een eerlijk hart aan dat in Jezus’ Naam vrijmoedig bij Hem binnenstormt. We hoeven geen ‘omhaal van woorden’ te gebruiken (Matt. 6:7), maar mogen vrijuit uit ons hart spreken!

P.S. Gelukkig was Mozes niet zo in de war als ik destijds toen hij Numeri 12:13 bad :-)

Ga achteraan zitten

Vroeger gingen mijn ouders altijd zover mogelijk naar achteren zitten in de kerk. Er hing een soort geestelijke sfeer om de reden waarom precies, naar mijn gevoel. Veel later ontdekte ik in de Bijbel het volgende stuk, en kreeg ik vermoedens dat ze dit stuk van Jezus misschien letterlijk wilden opvolgen:

Als iemand u uitnodigt op een bruiloft, ga dan niet op de beste plaats zitten. Slelt u zich voor dat de gastheer iemand heeft uitgenodigd die belangrijker is dan u. Dan zal hij naar u toekomen en vragen: “Wilt u alstublieft plaats maken voor deze gast?” Dan staat u voor schut en moet u genoegen nemen met een plaatsje dat nog over is.

U kunt het beste de minste plaats uitzoeken. Misschien zegt de gastheer dan wel: “Vriend, u kunt deze plaats nemen. Die is veel beter.” Dan maakt u voor al de andere gasten een goede beurt. 

Want ieder die zichzelf meer eer geeft dan hem toekomt, zal worden vernederd. En wie zichzelf heel gewoon vindt, zal eer ontvangen (LUKAS 14:8-11, Het Boek)

Later kwam ik mensen tegen die het liefst vooraan wilden gaan zitten in een dienst, om ‘dicht bij het vuur te zitten’. Nou denk ik niet dat voor- of achteraan zitten voor God iets uit maakt – afhankelijk van onze motivatie: soms ben je zo hongerig naar God dat je niet afgeleid wil worden achteraan… Soms wil je anderen niet storen als je wat rumoerige kinderen meegenomen hebt (gebeurt ons wel eens hahaha) en zit je liever achteraan. Motivatie in beide situaties is liefde, en daar kijkt God naar.

Het gaat God om hoe we over onszelf denken. Paulus zegt het als volgt in Romeinen 12:3: Beoordeel uzelf eerlijk en denk niet te hoog van uzelf. 

Dit gaat niet over niet ‘groot denken’ of grote, menselijk onmogelijke dromen najagen – dit wil God graag! Salomo zei: Het huis dat ik ga bouwen, zal groot zijn – want onze God is groter dan alle goden (2 Kronieken 2:5). Maar wel over onszelf overschatten… pijnlijk!!!

Toen ik mijn baan begon op De Betteld wandelde ik de dag voor beginnen het bos in, en vroeg God of Hij een Woord had voor de nieuwe situatie. Bovenstaand stuk uit Lukas 14 schoot bij me naar binnen, en met die houding ben ik plaats gaan nemen in een al een tijdje draaiend team van jeugdwerkers. Alhoewel ik direct van hogerhand de leiderstitel kreeg, ben ik me niet gaan gedragen als iemand die het allemaal wel even zou vertellen hoe het anders moest, maar ben ik de eerste dagen ‘achteraan gaan zitten’. Ik heb geluisterd, gekeken en veel respect getoond voor het bestaande team.
Na een paar dagen kwam er een crisissituatie waar niemand raad mee wist, en waar ineens naar mij gekeken werd voor de oplossing. Wonder boven wonder gaf God wijsheid en kwam de zaak tot een goed eind. Ik werd in de ogen van het team hierdoor van ‘achteren’ naar ‘voren’ geroepen – zonder mezelf te promoten. God zorgde voor het moment.
Toen Nathalie en ik net voorgangers waren van onze huidige gemeente, werden we nog wel eens aangesproken door mensen die heeeeel graag kwijt wilden dat zij ‘de profeet van de gemeente’ waren, of ‘heel veel ervaring hadden in leiderschap’. Eerlijk gezegd zakt iedereen die zelf met zo’n mededeling komt bij mij meteen met stip op het lijstje potentiële kandidaten voor die positie waar ze zo naar ambiëren.
Laat een vreemde u prijzen en niet uw eigen mond, een onbekende en niet uw eigen lippen (Spreuken 27:2).
Achteraan zitten. En de Organisator van het Feest is op zoek naar gelegenheden om ons naar voren te halen. Thanx voor de tip Jezus!

 

Vasten: wat, waarom en wanneer?

VASTEN

Vasten hoort bij onze relatie met God

Jezus adviseert ons in zijn beroemdste toespraak, de Bergrede, over onze hartshouding in 3 gebieden die horen bij onze relatie met God: bidden, geven en vasten. Die eerste twee zijn gesneden koek voor veel christenen (alhoewel…), maar met vasten zijn de meesten veel minder vertrouwd. Jezus over vasten:

En wanneer u vast, toon dan geen droevig gezicht, zoals de huichelaars. Zij vervormen namelijk hun gezicht, zodat zij door de mensen gezien worden als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u dat zij hun loon al hebben. Maar u, als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, zodat het door de mensen niet gezien wordt als u vast, maar door uw Vader, Die in het verborgene is. En uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden (Matteüs 6:16-18).

Wanneer we dus vasten met een zuiver hart, erop gericht om door God gezien te worden, staat er een vergelding (beloning) tegenover. Jezus’ redding ontvangen we gratis, uit genade – maar diezelfde Jezus vertelt ons dat er een beloning te halen is voor geven, bidden én vasten met een zuiver hart!

Maar wat is vasten eigenlijk?

Wat is vasten?

Vasten zoals in de Bijbel bedoeld word zou je kunnen omschrijven als “het zich onthouden van voedsel voor een geestelijk doel”. Het komt veel voor in de Bijbel, en wordt zowel onder het Oude Verbond van Mozes als in het Nieuwe Verbond door Jezus en de apostelen als een normaal onderdeel van ons volgen van Jezus beschouwd.

De Bijbel kent verschillende vormen van vasten:

  • het ‘normale’ vasten: geen voedsel, wel drinken
  • het ‘Daniëlsvasten’: wél eten, maar niets ‘smakelijks’, geen vlees en geen wijn. Daniël deed dit 3 weken lang (Dan. 10:2-3)
  • ‘bovennatuurlijk’ vasten: geen voedsel én geen drinken voor langere tijd (Mozes en Jezus: 40 dagen. PROBEER DIT NIET THUIS! :-) )

Oftewel, het is mogelijk om te vasten in verschillende gradaties, verschillende mates van intensiteit.

Het onszelf om geestelijke redenen onthouden van andere zaken die ons normaal gesproken wel zijn toegestaan, komt vaker voor in de Bijbel:

  • tijdelijk vasten van seks (1 Kor. 7:5)
  • levenslang of tijdelijk niks eten of drinken dat van de ‘wijnstok’ afkomstig is: druiven, rozijnen, druivensap of wijn (Num. 6, Jer. 35:6)
  • levenslang of tijdelijk je haar en baard niet afknippen of -scheren (Nu. 6:5, Recht. 16:17)
  • beloven nooit te wonen in een huis, maar in een tent (Jer. 35:7)
  • en in de Joodse wet waren meerdere voorschriften om zich te onthouden van onreine dieren, het aanraken van doden, en speciale heiligingsvoorschriften voor de priesters.

Vasten is van de verschillende vormen van ‘onthouding’ de meest voorkomende. Het wordt in de Bijbel soms gedaan door personen in hun eentje, soms door kleine groepen gelovigen en vaak door een heel volk of een hele stad. Verder zien we dat vasten gepraktiseerd wordt door koningen en gewone mensen, rijken en armen, ouderen en jongeren… en zelfs in één geval werden de dieren verplicht mee te vasten! (Jona 3:7)

Vasten: jezelf vernederen

Ezra 8:21 – ‘Toen riep ik daar een vasten uit om ons te verootmoedigen voor onze God

Ps. 35:13 – ‘ik verootmoedigde mij met vasten’

Door te vasten verklaren we onszelf afhankelijk van God, meer dan van ons dagelijks voedsel. We zeggen ermee “Heer, ik heb u meer nodig dan eten. Ik leef van Uw Woord, meer dan van mijn dagelijks brood (Deut. 8:3). Mijn voedsel is de wil te doen van mijn Vader (Joh. 4:34).” Ons hongergevoel dient als een voortdurende herinnering aan de honger in ons die nog sterker is: honger en dorst naar gerechtigheid (Mat. 5:6), honger en dorst naar de komst van Zijn Koninkrijk, honger en dorst naar Zijn Woord (Ps. 119:131, Amos 8:11), honger en dorst naar God Zelf (Ps. 63:2). Als ik voor een specifieke ‘vergelding’ (Mat. 6:18) vast, laat ik mijn knorrende maag een sterk aanwezige herinnering zijn dat ik meer honger heb naar dat specifieke doel, dan naar mijn lunch!

Vasten als we de Bruidegom missen

De leerlingen van Johannes en de farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen mensen naar Jezus toe, die hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’ Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten (Markus 2:18-20).

De leerlingen van Jezus zijn wij. De tijd dat de Bruidegom bij ons weg is, is begonnen met Jezus’ Hemelvaart. Sindsdien is Hij niet meer automatisch zichtbaar. Wanneer we Hem dus missen, en wanneer we de resultaten van Zijn aanwezigheid missen in onze levens, gezinnen, kerken, steden en wereld, is het ‘onze tijd om te vasten’.

Jezus zegt ons ook dat sommige demonen (en daarmee dus ook sommige ziekten) niet verdwijnen als er niet wordt gebeden én gevast:

En toen Hij in huis gegaan was, en zij alleen waren, vroegen Zijn discipelen Hem: ‘Waarom hebben wij [de onreine geest] niet kunnen uitdrijven? En Hij zei tegen hen: Dit soort kan nergens anders door uitgaan dan door bidden en vasten (Markus 9:29 – in sommige vertalingen is ‘en vasten’ verwijderd, maar hoogstwaarschijnlijk staat het wel in de oorspronkelijke Griekse tekst van Markus).

Willen we dus de resultaten zien van de Bruidegom die in al Zijn kracht aanwezig is, dan zullen we moeten bidden en vasten.

Een verkeerde houding tegenover voedsel kan ons van Gods weg afbrengen

God heeft ons zó gemaakt, dat we voedsel nodig hebben om te overleven – als een levende herinnering dat we afhankelijke wezens zijn, geen goden die niets nodig hebben. Voedsel is echter gegeven om óns te dienen, wij zijn niet bedoeld om slaven van onze buik te zijn. Onze buik kan onze god worden (Fil. 3:19), en de Bijbel toont een aantal voorbeelden van hoe we van Gods weg af kunnen dwalen wanneer dit in ons leven zo is.

Izak ontwikkelt een voorkeur voor 1 van zijn 2 kinderen: hij heeft Ezau lief boven Jakob, en als reden hiervoor wordt voedsel aangegeven:

Izak had Ezau lief, omdat hij graag wildbraad at. Rebekka daarentegen had Jakob lief. (Gen. 25:28)

Hiermee begon Izak een patroon (of een generatievloek, zo je wil) die eerst onder zijn eigen kinderen tweedeling en vernietiging bracht, en vervolgens werd doorgegeven door zijn kinderen aan zijn kleinkinderen, waar het leidde tot jaloezie, geweld, bedrog en bijna moord – want ook Jakob had zijn lievelingetje (Jozef) en dit zette kwaad bloed bij zijn broers, met alle gevolgen vandien. En alles begon met Izaks buik die trek had in een braai.

Ook Ezau zelf verspeelde een eeuwige erfenis, het eerstgeboorterecht, omdat hij niet had geleerd zijn honger te beheersen:

Eens had Jakob soep gekookt, toen Ezau uit het veld kwam en moe was. Toen zei Ezau tegen Jakob: Laat mij toch slurpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe (…). Toen zei Jakob: Verkoop mij dan eerst je eerstgeboorterecht. Ezau zei: Zie, ik ga toch sterven; wat moet ik dan met het eerstgeboorterecht? (…) Toen gaf Jakob Ezau brood, met de linzensoep. Hij at, dronk, stond op en ging weg. Zo verachtte Ezau het eerstgeboorterecht (Gen. 25:29-34).

De macht van ons ‘vlees’ wordt gebroken

Het is goed om onze maag, en ons ‘vlees’ (de oude mens) in het algemeen, regelmatig haar plaats te wijzen. Wij worden niet geregeerd door ons lichaam, maar onze geest, vervuld met de Heilige Geest, regeert over ons lichaam – om onze ledematen tot ‘instrumenten van gerechtigheid’ te maken (Rom. 6:13). Paulus zegt:

Weet u niet dat zij die in de renbaan lopen, allen wel lopen, maar dat slechts één de prijs ontvangt? Loop dan zo dat u die verkrijgt! En iedereen die aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles. (…) Ik oefen mijn lichaam op harde wijze en maak het dienstbaar… (1 Kor. 10:24-27).

En vasten was ook een veel terugkerend onderdeel van Paulus’ bediening: Hand. 13:3, 14:23, 2 Kor. 6:5, 11:27 ['vaak vasten'].

Het ‘oefenen’ van ons lichaam door te vasten heeft als bijkomend gevolg dat we ook op andere gebieden groeien in zelfbeheersing: in ons spreken, in onze seksualiteit, in ons temperament.

Vasten met verkeerd hart werkt niet

De profeet Jesaja waarschuwt zijn volk al dat huichelachtig vasten geen enkel effect heeft. Heel hoofdstuk 58 van Jesaja spreekt hierover. ‘Vind je het gek dat God jullie niet hoort: jullie vasten wel, maar gaan vrolijk door met zondigen en elkaar slecht en onrechtvaardig behandelen!’ Jezus zegt hetzelfde: wie vast om door mensen als geestelijke Superman gezien te worden, heeft de beloning al die hij zocht, en krijgt dus niets meer vanuit de hemel.

Saul laat z’n soldaten vasten op een moment wanneer ze juist eten nodig hebben voor de zware strijd die ze voeren, en als gevolg wordt de vijand niet zo verslagen als God bedoeld heeft (1 Sam. 14:24-30). En er is zelfs een voorbeeld van vasten dat gebruikt wordt als een schijnheilige vorm, zogenaamd om te rouwen om onrecht dat nooit gebeurd is, om iemand gedood te krijgen en zijn land in bezit te kunnen nemen! (1 Kon. 21:9-13).

Vasten als wondermiddel gebruiken, terwijl ons hart verkeerd is en er onrecht in ons leven is, werkt dus niet (net zo min als gebed zonder oprecht hart, Ps. 66:18).

Vasten en genade

Als slotopmerking moet gezegd worden dat noch ons vasten, noch enige andere vorm van offers brengen of zelfverloochening, op zichzelf een basis kan zijn voor gebedsverhoring, of het ontvangen van enige vorm van genade van God. Alles wat we ontvangen, is onverdiende genade op grond van wat Jezus voor ons gedaan heeft. Wanneer we onze eigen geestelijke prestaties of discipline gaan toevoegen aan de redenen waarom God ons moet verhoren, doen we af aan de geldigheid van Jezus’ bloed. We zeggen dan eigenlijk: ‘Dit bid ik, in mijn eigen naam – want ik heb genoeg gevast/geofferd om verhoord te worden’.

We moeten beseffen dat zonder Jezus’ bloed dat onze zonden verzoend heeft en ons heiligt, elk offer van onze kant besmet en waardeloos is!

Maar tóch wordt er onder het Nieuwe Verbond ook volop geofferd én gevast. Een christen hoort te vasten als reactie op Gods grote liefde, niet om die liefde te verdienen. Als we inzien hoeveel ons vergeven is, zullen we veel liefde voor God krijgen (Luk. 7:47), en die liefde zal zich uiten in daden – waaronder bidden en vasten voor meer van God in onze levens en onze wereld (1 Thes. 1:3, Jak. 2:14-26, 2 Pet. 1:5-9). Vasten als een uiting van liefde en geloof is een geweldig middel van genade, om onszelf te vernederen onder de krachtige hand van God – want God keert Zich tegen te hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade (1 Pet. 5:5).

Redenen waarom gevast werd in de Bijbel:

  • om bescherming af te smeken voor een gevaarlijke reis (Ezra 8:21)
  • om overwinningen tegen een vijand met een sterker leger (2 Kron. 20:3)
  • om genezing te zoeken voor zieken (Ps. 35:21, 2 Sam. 12:17)
  • om verbetering van de slechte situatie van Gods volk (Neh. 1:4)
  • om Gods verhindering van het besluit het Joodse volk uit te roeien (Est. 4:3, 16)
  • als uiting van bekering (Joël 1:14, 2:12, 15, Jona 3:5, 1 Sam. 7:6, 1 Kon. 21:27)
  • als uiting van rouw (2 Sam. 1:12)
  • om inzicht te krijgen in het Woord van God, en de vervulling van de beloften daarin tot stand te zien komen (Dan. 9:2-3, 23, 10:1-3)
  • om God te dienen en de stem van Zijn Heilige Geest te verstaan (Luk. 2:37, Hand. 13:2)
  • wanneer oudsten of apostelen worden aangesteld (Hand. 13:3, 14:23)

Lessen uit de tandartspraktijk

Als kind poetste ik mijn tanden omdat het MOEST van mijn ouders. Ik had er toen al een hekel aan. Regelmatig hield ik de borstel een paar seconden onder de kraan, zodat ik overtuigend kon liegen dat ik mijn tanden WEL gepoetst had.

Vorig jaar heb ik mijn eerste wortelkanaalbehandeling gehad. AUW in mijn mond en nog meer AUW in mijn portemonnee. Uiteindelijke oorzaak was de oude vulling die ik al jaren in die kies had, waardoor er met de jaren toch bijna onvermijdelijk troep onder moest gaan zitten.

Ik ben plotseling een overtuigde tandenpoetser geworden.

Zo werkt het ook met Gods principes, regels van de gemeente, of andere afspraken of levenswetten.

We beginnen op het laagste niveau: IK SNAP HET NIET EN IK DOE HET NIET.

Als we wat angst krijgen voor de straf als we de regels niet volgen (geen zakgeld, sociale uitsluiting, een verkeersboete etc.), klimmen we naar het 2e niveau: IK SNAP HET NIET MAAR IK DOE HET TOCH. Dit heeft het voordeel dat we (wellicht tijdelijk) de gevolgen plukken van het volgen van de gezonde levenswet. Maar als de angst voor de straf wegvalt, zullen we ermee stoppen.

Gods doel met ons is, en dit zou ook het doel van elke gezonde kerk of samenleving moeten zijn, het hoogste niveau: IK SNAP HET EN DAAROM DOE IK HET.

Van ‘Ik mag geen seks buiten het huwelijk van de kerk’ naar ‘Ik begrijp dat ik hiermee mezelf, anderen en mijn (toekomstige) echtgeno(o)t(e) beschadig’.

Van ‘Daar! Een flitspaal! Snel op de rem trappen!’ naar ‘Ik ben blij dat ik mee kan werken aan minder verkeersslachtoffers’.

Van ‘Ik geef die tienden maar voordat ik onder een vloek kom!’ naar ‘Dank U God dat ik kan bijdragen aan Uw Koninkrijk, voorgangers en zendelingen kan zegenen, mee kan bouwen aan iets eeuwigs’.

En vul hier je favoriete wet, regel, principe, afspraak in. Op welk niveau zit je qua overtuiging? Ben je bereid een niveau te klimmen, te leren begrijpen waarom er bepaalde regels zijn? (Sommige regels kunnen natuurlijk onzinnig zijn (geworden), juist omdat ergens een (groep) mensen van niveau 3 naar niveau 2 is afgezakt…)

Oh ja, bij deze… sorry mam van die bedrieglijk natte tandenborstel. De erfzonde dwong me ertoe!!!!